Naar de navigatie

Wet- en regelgeving

De meeste beeldbepalende gebouwen zijn ontworpen voor een specifieke functie, om een nieuwe functie te kunnen herbergen moeten ze vaak ingrijpend worden veranderd. Een her te bestemmen gebouw dient tegelijkertijd aangepast te worden aan de huidige regelgeving. De aanpassingen kunnen op gespannen voet staan met de bijzondere karakteristieken van het gebouw.

Interieurs genieten weinig juridische bescherming. Voor historisch onroerend cultureel erfgoed en voorwerpen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is wettelijke bescherming geregeld. De Wet Behoud Cultuurbezit biedt bescherming aan losse objecten met een buitengewone culturele waarde en gebouwen kunnen bescherming krijgen door middel van een monumentenstatus. De wettelijke bescherming schiet te kort in de samenhang tussen onroerend en roerend cultureel erfgoed (Werkgroep Onroerend/roerend, 2004: 23). Interieurs zijn zonder de waardering en instandhouding van de eigenaren en beheerders eigenlijk vogelvrij (RCE, 2011). Barbara Laan wijst op de officiële beschermingsmiddelen van binnenruimten in het buitenland: "... in tegenstelling tot over de grens, waar de bescherming doorgaans verder reikt, tot aan de losse artefacten toe." (2001).

In 'De poëzie van de Nederlandse binnenruimte' geeft Laan aan waarom er reden is om bezorgd te zijn om het behoud van de oude binnenruimten zelf en om het zorgvuldig en respectvol behandelen daarvan (2001). Laan stelt dat de Nederlander het liefst verre van betutteling door de overheid blijft omdat zij het binnenhuis zien als een intiem domein (2001). Barbara Laan concludeert dat wat er bewaard blijft dan ook volstrekt afhankelijk is van gelukkig toeval (2001). Brits architectuurhistoricus John Harris reageert in een ‘Tweede leven voor interieurs’ op de vraag of regulering de sloop van waardevolle interieurs kan voorkomen: “In mijn optiek is het nodig het bewustzijn rondom interieurs te verhogen. Wetten en regels zijn geen oplossing.” (2010).

Wanneer er sprake is van een zogenoemd 'Gesamtkunstwerk' geeft de Stichting Het Nederlandse Interieur (Shni) om het eigendom van de roerende zaken goed te regelen (2011: 3). Het in situ voortbestaan van een ensemble wordt op die manier gewaarborgd bij een eventuele verkoop of verhuur van het onroerend goed (2011: 3).

Aanpassingen van de huidige regelgeving kunnen op gespannen voet staan met de bijzondere karakteristieken van het gebouw. De Kluijver beaamt dit in 'Een persoonlijke kijk op (interieur)architectuur', waarin wordt gesteld dat eisen met betrekking tot verdiepingshoogtes, brandwering en daglicht er vaak voor zorgen dat karakteristieke elementen verloren gaan.” (De Kluijver, 2008: 27).

Bronnen

  • Harris, J. (2007) Moving Rooms, the trade in architectural salvages. Londen: Yale University Press.
  • Kluijver, H. de (2008) Ogenblikken. Een persoonlijke kijk op (interieur)architectuur. Beroepsvereniging Nederlandse Interieurarchitecten.
  • Laan, B. (2001) De poëzie van de Nederlandse binnenruimte. In: F. van Burkom, K. Gaillard, E. Koldeweij et al (2001) Leven in toen. Vier eeuwen Nederlands interieur in beeld. Amsterdam - Zwolle: Stichting Manifestatie Historisch Interieur 2001 - Waanders Uitgevers: p. 13-19.
BijlageGrootte
RCE (2011) Bouwhistorisch onderzoek werkt! Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.2.24 MB
Werkgroep Onroerend/roerend (2004) Van object naar samenhang. De instandhouding van ensembles van onroerend en roerend cultureel erfgoed. Zeist, 's-Gravenhage, Amsterdam: werkgroep Onroerend/roerend.1.45 MB