Naar de navigatie

Lichttoren Eindhoven

De Lichttoren in Eindhoven, ooit gloeilampenfabriek op een omsloten bedrijfsterrein, is 'teruggegeven' aan de Eindhovenaren. Het herbestemde fabrieksgebouw vormt nu samen met contrasterende nieuwbouw een veelzijdig complex waar wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd - en dat alles rond een stedelijk plein.

Opgave

Gloeilampenfabriek de Lichttoren behoorde tot het Philipscomplex: een ommuurde enclave aan de Eindhovense Emmasingel. Eind vorige eeuw besloot de fabrikant geleidelijk naar elders te verhuizen. De gebouwen kwamen een voor een leeg te staan. Vaak leidde dat tot sloop maar na protesten van de Eindhovenaren werden de mooiste exemplaren herbestemd. Dat gold ook voor de Lichttoren met zijn markante grote ramen, zijn typische versieringen en vooral zijn zevenhoekige toren. Vrijwel direct nadat dit gebouw verlaten was, schreven de Gemeente Eindhoven en Philips een prijsvraag uit, opdat dit ‘icoon’ werd behouden.

Het gelegenheidconsortium Allicht BV (het jonge Eindhovense bedrijf Stam & De Koning en IBC Vastgoed) won de opdracht met een visieplan waarvoor AWG architecten uit Antwerpen was ingeschakeld. Volgens deze visie werd de Lichttoren symbolisch teruggegeven aan de stad: er kwamen deels publieke functies in en de directe omgeving werd openbaar gebied. Wel zou het uiterlijk veranderen. Verrelst: ‘Het zou een Nieuw Gezicht voor Eindhoven zijn, waarbij de oude Lichttoren met drie uitbreidingen zou versmelten tot één nieuw geheel.’

Dit winnend visieplan riep ook weerstand op, vooral vanuit monumentenzorg en welstand. Zij initieerden een architectuurhistorisch onderzoek waarna de Lichttoren in 2000 de status kreeg van Rijksmonument. Dat veranderde de opgave voor AWG: het oorspronkelijke gebouw moest nu nog sterker behouden blijven. Dat gold niet alleen het uiterlijk maar ook de bijzondere, ambachtelijke betonconstructie. Vanwege het toegepaste ‘Hennebique systeem’ behoren namelijk alle elementen (hoofd- en kinderbalken, vloeren, trap- en liftschachten alsook de gevels) tot één monolitisch gestort geheel.

Aanpak

Tussen het winnen van de wedstrijd en ‘begin bouw’ lag ruim acht jaar, waarin veel gebeurde. De opzet van het visieplan bleek niet haalbaar. Heymans projectontwikkeling nam het aandeel van IBC Vastgoed over, waarmee de opdracht veranderde. Het complex dreigde grotendeels kantoor te worden.

Nadat in 2001 de kantorenmarkt instortte, was ook dit plan van de baan. De Eindhovense woningbouwvereniging Trudo redde vervolgens het project. De Nieuwe Combinatie; een samenwerkingsverband tussen Trudo en Stam + de Koning, werd gedelegeerd ontwikkelaar. Het belangrijkste doel was opnieuw: de Lichttoren teruggeven aan de Eindhovenaren. Wederom maakte AWG een nieuw plan, met veel publieke functies waaronder zelfs een bioscoop. Nadat dit te ambitieus bleek, werd pas het definitieve ontwerp gemaakt: grotendeels woningen, enkele kantoren en een paar publieke gelegenheden: café-restaurant, sportschool en hotel.

De rol van AWG was vanaf nu tweeledig: architect en supervisor voor alle andere ontwerpers. Naast de vele interieurontwerpers viel hier ook de ontwerper van het nieuwe plein aan de Mathildelaan onder: Buro Lubbers. Dit gebied is nu een pocketpark, met beperkte beplanting vanwege de ondergrondse parkeergarage. Een omringende pergola met klimplanten geeft een open en toch beschutte sfeer.

Het ontwerp

Al in de wedstrijdfase was duidelijk dat herbestemming van de Lichttoren alleen haalbaar was in combinatie met nieuwbouw. AWG voegde daarom drie nieuwe volumes toe: één smal blok aan de Emmasingel, twee brede volumes (atrium plus hotel) aan de Mathildelaan. De vormgeving hiervan is in de loop der tijd wel veranderd.

In het wedstrijdontwerp stelde AWG nog een versmelting voor van nieuw- en oudbouw die dan één donkerkleurig geheel zou worden. Daarbij koos AWG, vanwege hoge duurzaamheidseisen, bij het oude gebouw voor een ‘ontdubbeld’ gevelsysteem. Dat hield in: twee gevels waarvan de binnenste met thermische beglazing en de betonnen buitengevel met enkel kaderloos glas. De tussenruimte werd wintertuin.

In het gerealiseerde ontwerp is de oorspronkelijke Lichttoren direct herkenbaar, zelfs witgeschilderd. De donkere nieuwbouw contrasteert daarmee. Het idee van een ontdubbelde gevel is verlaten. De ramen van de Lichttoren kregen ongeveer hun oorspronkelijke indeling. Bijzonder is hoe hierin balkons zijn aangebracht. Niet elke woning kreeg er een; ze zijn willekeurig over de gevel verspreid om het strakke gevelbeeld met doorlopende betonnen borstweringen mimimaal te verstoren. Ook zijn ze van glas, waardoor het uitgeklapte onderdelen van de ramen lijken

Duurzaamheid

De Lichttoren wordt volledig via vloerverwarming verwarmd en gekoeld. Een warmtepompsysteem haalt grondwater van 80 meter diepte omhoog. Dit water wordt gebruikt voor de verwarming van warm tapwater en ruimtekoeling. ‘Lichtstad Energie’ beheert en exploiteert deze duurzame energievoorziening.

Financiering

De lange looptijd met wisselende opdrachtgevers, geeft al aan dat financiering moeilijk was. Wat Trudo wel succesvol maakte, was allereerst hun uitgangspunt. Hun streven was niet maximale winst maar het redden van dit project op een manier die langdurig zou voldoen. Een goed programma was cruciaal; vandaar dat men koos voor zeer diverse woningen (koop- en huurwoningen, zelfs sociale woningbouw), naast kantoren, sportvoorzieningen, hotel en horeca.

Essentieel was de strategie om het complex goed in de markt te zetten. Daartoe werd het begrip ‘Nieuwe Leefstijl’ geïntroduceerd, geïnspireerd door de Nieuwe Zakelijkheid waarvan de oude Lichttoren zo’n mooi voorbeeld was. Woningen werden ‘lofts’ genoemd - voor Nederland toen een nieuw begrip. Dat betekende dat gebruikers niet zozeer een woning kochten of huurden maar één of meer ‘ruimtelijke modules’. Het betonskelet van de Lichttoren was de basis, dit ‘verdeelde’ het gebouw in modules van 7,20 lang bij 7,20 breed, bij 4,40 meter hoog. AWG ontwierp een systeem van inbouwvloeren en -muren, waarmee dit betonskelet in zicht kon blijven. Kopers zochten vaak een eigen interieurarchitect; huurders kozen uit inbouwopties.

Leerpunten

Het project vroeg van de architect veel soepelheid. ‘Gelukkig,’ aldus Verrelst, ‘hechten wij méér aan een goed proces dan aan een vooropgesteld beeld.’ Als ‘leerpunt’ noemt hij de manier waarop de functies zijn ingevuld. ‘Daar had ik als architect te weinig invloed op. Dat wreekt zich bij de nieuwbouw aan het Mathildeplein, waar ik de dakterrassen voor het hotel-restaurant had bedoeld. Deze worden nu niet gebruikt. Oorspronkelijk zouden het torentje en een bestaande dakopbouw publieke invullingen krijgen (expositieruimte en restaurant) en ook dat ging niet door. Trudo besliste gelukkig nog wel dat het torentje een gemeenschappelijke ruimte voor de bewoners werd maar de dakopbouw is nu een penthouse.’

Een positieve ‘les’ is dat zo’n lange ontstaansgeschiedenis ook voordelen heeft. Het draagvlak om aldus Verrelst, ‘op een progressieve in plaats van een behoudend, museale wijze om te gaan met de Lichttoren’, nam in de loop der jaren toe. Daardoor kon het nieuwe programma op een hedendaagse manier in de bestaande structuur worden ingepast en mochten, bijvoorbeeld, de oorspronkelijke stalen raamprofielen vervangen worden door thermisch isolerende profielen.

Ook verbeterde de duurzaamheid. Verrelst: ‘ Oorspronkelijk was het streven een autarkisch gebouw dat zelf alle energie levert die er wordt gebruikt. Voortschrijdend inzicht leerde dat dergelijke systemen nog steeds warmte afgegeven aan het milieu. Dus is nu gekozen voor een duurzamer energiesysteem waarbij door het toevoegen van een goede isolatie het gebruik van het inertievermogen van de bouwmassa en de toepassing van warmte- en koude-opslag in de bodem (aardwarmte) het verbruik voor klimaatbeheersing (ruimteverwarming en -koeling) minimaal is.

Meer informatie

Deze projectbeschrijving maakt deel uit van een analyse best practices van 10 herbestemmingsprojecten uitgevoerd door BNA Onderzoek met focus op de rol van de ontwerper.