Naar de navigatie

Los hoes 'Groot Bavel'

Een los hoes is een zeldzaam regionaal boerderijtype dat uit één grote ruimte voor wonen en veestalling bestaat. In 1936/1937 werd het met sloop bedreigde los hoes Groot Bavel verplaatst van De Lutte naar de tuin van Rijksmuseum Twenthe in Enschede, waar het in het kader van een werklozenproject opnieuw werd opgebouwd. Bijzonder aan dit los hoes zijn de eiken ankerbalkgebinten, een onbeschoten kap met strodokken tussen de pannen, houten topgevels van boerentimmerwerk en de baksteenvulling die in de buitenwanden is aangebracht.

Samenvatting

Een los hoes is een zeldzaam regionaal boerderijtype dat uit één grote ruimte voor wonen en veestalling bestaat. In 1936/1937 werd het met sloop bedreigde los hoes Groot Bavel verplaatst van De Lutte naar de tuin van Rijksmuseum Twenthe in Enschede, waar het in het kader van een werklozenproject opnieuw werd opgebouwd. Bijzonder aan dit los hoes zijn de eiken ankerbalkgebinten, een onbeschoten kap met strodokken tussen de pannen, houten topgevels van boerentimmerwerk en de baksteenvulling die in de buitenwanden is aangebracht. Na jarenlang vooral als meubelopslagplaats te hebben gediend, kreeg het pand begin deze eeuw een nieuwe bestemming als expositieruimte. De tochtige boerderij veranderde door een aantal zorgvuldige en duurzame ingrepen in een prettige tentoonstellingsruimte. Het los hoes is een uiterst zeldzaam en zeer bijzonder gebouw, dat bescherming geniet als museaal object.

De opgave

Het herbestemmen van een historische boerderij vol kieren tot een behaaglijke en tochtvrije tentoonstellingsruimte, met behoud van het zicht op de karakteristieke onbeschoten kap. Omdat het los hoes onderdeel van de museumcollectie is, stond behoud van authenticiteit voorop.

Aanpak

Omdat het los hoes vol kieren en gaten zat die hoorden bij de bouwwijze en die niet te verhelpen waren zonder de authenticiteit van de boerderij aan te tasten, zijn de comforteisen aangepast aan het monument. Er is niet gestreefd naar een modern, hoog comfortniveau, maar naar een lager niveau dat voldoet voor de functie als tentoonstellingsruimte waarin mensen kort verblijven. Aanvankelijk dacht men aan de inbouw van een glazen doos, maar dat zou een te benauwde ruimte voor de museale functie opleveren. Het alternatief was een glazen inpandige afdichting op de ankerbalken, onder de onbeschoten kap, waardoor het gebruik van het hele vloeroppervlak mogelijk bleef.

Duurzaamheidsmaatregelen

Energiebesparende maatregelen

De kapruimte is afgedicht met drie glazen ‘zadeldaken’ als lichtstraten bovenop de houten gebinten. Iedere lichtkap is apart ontworpen en sluit zo goed mogelijk aan op de onregelmatige balken. HR-glas met een hoge isolatiewaarde zorgt voor een goede isolatie. Voor isolatie van de rest van de zoldering is een slietenvloer gekozen: een historische oplossing van rondhouten stammetjes die vroeger los op de gebintbalken werden gelegd om een hooizolder te creëren. Over de slieten liggen paardendekens tegen de stofdoorslag en daar bovenop zijn extra steenwoldekens gelegd als isolatie.

Delen van het gebouw zijn buiten de te verwarmen zone gehouden. De bestaande ruimten langs de gevels kreeg de functie van ‘spouw’ en worden nauwelijks verwarmd: er heerst een halfklimaat. Een simpele buisradiator langs alle buitenwanden neemt alleen de ergste kou van de buitenlucht weg. Door de ruimten langs de gevels tot halfverwarmde ‘spouw’ te bestempelen, werd het mogelijk het energieverbruik binnen de perken te houden zonder isolerende of andere ingrepen aan de uiterst kwetsbare gevels. Paardendekens voor de kierende, houten staldeurtjes weren de ergste tocht.

Voor de verwarming van de tentoonstellingsruimte onder de glazen zadeldaken is gekozen voor een systeem van vloer- en luchtverwarming. De klimaatinstallatie is op de nieuwe zoldering aangelegd, buiten het zicht. 

Gebruik materialen

Er is gekozen voor minimaal herstel en maximaal behoud van authenticiteit. De restauratie is zo terughoudend en onopvallend mogelijk uitgevoerd. Alleen het hoogst noodzakelijke is vervangen in de zelfde materiaalsoort en bewerking.

Hout dat op was, is vervangen door verantwoord geproduceerde inlandse houtsoorten. Die hebben als milieuvoordeel dat ze weinig energie voor transport vergen. De oorspronkelijke vloer van de boerderij was van leem, maar omdat leem niet slijtvast genoeg is om er een vloerverwarming in aan te brengen, is gekozen voor een leemkleurige cementvloer. Wel hobbelt en bobbelt de cementvloer alsof hij van leem is. Alle technische voorzieningen zijn onopvallend aangebracht en kunnen vaak zonder moeite en zonder blijvende sporen weer verwijderd worden.

Leerpunten

In gebouwen die thermisch zo ‘lek’ zijn als een mandje kan de verleiding groot zijn om de isolerende prestaties van de gevels, vensters of kap aan te pakken. In uiterst kwetsbare constructies zoals in deze boerderij leidt dit vroeger of later onherroepelijk tot bouwfysische problemen, nog afgezien van de esthetische verliezen. Toch is het mogelijk een aangenaam thermisch comfort te creëren en energie te besparen door de ruimten langs de gevels te gebruiken als een halfverwarmde thermische overgang tussen binnen en buiten. Delen van de thermische grens tussen het verwarmde en het onverwarmde deel – hier de nieuwe glazen zadeldaken en de volledig gereconstrueerde slietenvloer – zijn zelfs isolerend uitgevoerd zonder enig risico voor het monument.

De keuze voor strikt noodzakelijk herstel beperkt niet alleen het gebruik van grondstoffen, ook veroorzaakt het minder sloopafval.

Meer informatie

  • Een uitgebreide beschrijving van dit project en verdere informatie over duurzame monumentenzorg is te vinden in Handboek Duurzame Monumentenzorg. Theorie en praktijk van duurzaam monumentenbeheer (zie hieronder).
  • Contactpersonen: Mazzola Partners, Geldermalsen, Wim en Adriënne Mazzola, 0345-581643, mazzolapartners@wxs.nl en Bureau Dijkoraad, Deventer, Henk Haverman, 0570-519555.