Naar de navigatie

Implicaties voor herbestemming

Wanneer er plannen zijn voor het bouwen van geluidgevoelige gebouwen binnen een zone, dan moet worden aangetoond dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde ligt, dan moeten er maatregelen getroffen worden (SBR, Infoblad 384).

Als de geluidbelasting op bijvoorbeeld een woning boven de voorkeursgrenswaarde ligt, dan moet eerst worden onderzocht welke maatregelen mogelijk zijn om alsnog aan deze waarden te voldoen. Mocht dit niet lukken, dan kan er een hogere waarde vastgesteld worden. Dit behoeft echter wel goede onderbouwing. De hogere waarde mag nooit boven de in de wet vastgestelde bovengrens uitkomen. Daarnaast is er ook een aantal eisen als er een woning gebouwd wordt, of wanneer een kantoor herbestemd wordt tot een geluidgevoelig object met een hogere geluidbelasting dan de voorkeursgrenswaarde:

  • Er moet een reden zijn om af te wijken van de voorkeursgrenswaarde
  • Elke woning moet een geluidsluwe gevel bevatten (een gevel waarbij de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde komt)
  • De verblijfsruimten (woonkamer, slaapkamer) moeten zoveel mogelijk aan de kant van de geluidsluwe gevel worden gesitueerd

De geluidbelasting op geluidgevoelige bestemmingen wordt volgens artikel 1.5 van de 'Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006' gemeten op de gevel van de geluidgevoelige bestemming.

Het onderscheid tussen geluidgevoelige objecten en niet-geluidgevoelige objecten in de Wet geluidhinder heeft gevolgen voor de herbestemming van leegstaande kantoorgebouwen. Zo zal een kantoor dat getransformeerd wordt in een niet-geluidgevoelig object weinig last ondervinden van de Wet geluidhinder. Dat betekent dat er minimale tot geen aanpassingen nodig zijn aan bijvoorbeeld de gevel om te voldoen aan de geluidseisen. Dit zorgt ervoor dat er wat geluidsisolatie betreft weinig kosten zijn om een gebouw te transformeren. Dit maakt herbestemming weer aantrekkelijker, omdat de investeringen in het gebouw over het algemeen lager uitvallen.

Als een beoogde herbestemmingsvorm een geluidgevoelig object is, dan brengt dat lastigere regelgeving met zich mee. Er zal moeten worden getoetst aan de Wet geluidhinder of het object binnen een geluidszone ligt. En mocht dit zo zijn, dan moet er gemeten worden of de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Als de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, moet er als eerste worden onderzocht welke maatregelen er nodig zijn om alsnog aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

Wanneer dit niet mogelijk is, dan kan er een hogere waarde vastgesteld worden. Dit moet dan wel goed onderbouwd worden, en de waarde kan nooit hoger zijn dan de in de wet vastgestelde bovengrens. Doordat er meer eisen worden gesteld aan geluidgevoelige objecten dan aan niet geluidgevoelige objecten kan het zijn dat herbestemming in sommige gevallen niet rendabel zal zijn en daardoor als optie afvalt. In deze zin kan de Wet geluidhinder dus een belemmering vormen voor de herbestemming van leegstaande kantoorgebouwen.